De eerste springoefeningen (voor beginners of onervaren paarden)

cavaletti springen

De eerste sprongetjes voor jou en voor jouw paard zijn natuurlijk erg spannend. Het is belangrijk om de eerste hindernissen op de juiste manier op te bouwen, zodat jij en je paard vertrouwen in elkaar krijgen en houden. In dit artikel lees je hoe je het springen kan opbouwen, aan de hand van eenvoudige springoefeningen.

Vrijspringen

Heb je een heel jong paard die nog niet zadelmak is? Ook dan kan je de eerste hindernissen al klaarzetten, namelijk met vrijspringen! Daarmee leer je een jong paard onbelast springen. Zet langs de rand van de bak een aantal hindernissen neer (begin laag!) met daarnaast een gespannen lijn, zodat het paard er niet langs kan. Op internet zijn veel voorbeelden te vinden van leuke lijntjes, met de juiste afstanden. Zo kan je al zien of een jong paard goed kan springen en of hij er plezier in heeft. Vraag hiervoor natuurlijk altijd toestemming van jouw instructeur.

Stap- en drafbalken op de grond

Het oefenen met losse balkjes op de grond is een goede voorbereiding voor de echte hindernissen. Als ruiter leer je zo wanneer het juiste moment is om te springen en ontwikkel je een evenwicht- en ritmegevoel. Het paard of de pony wordt hierdoor soepeler en leert de juiste pasjes te nemen. Een jong paard kan je het beste laten oefenen door de balkjes eerst in stap laten nemen en daarna pas in draf.

Cavaletti

Cavaletti zijn houten balken die vastzitten aan lage standaarden (zie bovenstaande foto). Meestal hebben deze een hoogte van 15 tot 30 centimeter. Vaak kan je cavaletti draaien en zo op verschillende hoogten leggen. In het begin moet een paard leren om met een ruiter op zijn rug in evenwicht te blijven en de afstanden tot de hindernissen in te schatten. Je kan het beste beginnen met één cavaletto en dit uit te breiden naar meer. De afstand tussen de cavaletti bepaal je aan de hand van de grootte van het paard of de pony. Deze afstand ligt meestal tussen de 1 en 1.40 meter.

Kruisjes

Tijdens het aanrijden en het springen is het van belang dat je paard recht naar en over de hindernis gaat. Dit kan je oefenen met kruisjes. Een kruisje is in het midden het laagst, waardoor een paard in het midden over de hindernis springt. Dit helpt het paard én de ruiter bij het recht richten. Als ruiter kan je met een kruisje ook fijn oefenen met jouw eigen houding tijdens de sprong en wen je aan de beweging van het paard.

In- uitcombinaties

Als je bovenstaande springoefeningen hebt gedaan, kan je beginnen met het springen van in-uitjes. Dit is een eenvoudige serie hindernissen, meestal van 50 tot 80 centimeter. Je kan hier bijvoorbeeld cavaletti voor gebruiken. Met in-uitjes oefen je het aanrijden en de galopsprongen tussen de hindernissen. Zo leert een paard verschillende soorten hindernissen kennen. Tussen de hindernissen kan je eventueel nog balken op de grond leggen; zo kan je paard zijn evenwicht terugvinden en steeds met twee benen afzetten en neerkomen. In plaats van achter elkaar kan je de hindernissen ook naast elkaar zetten. Zo kan je oefenen met het rijden van wendingen en van hand veranderen.

Heb je al deze springoefeningen met succes uitgevoerd? Dan kan je aan jouw instructeur vragen of je het eerste parcoursje mag springen!

Tekst: Lydia Hagen voor Manegeruiter

Foto’s: Sabine Timman / Pixabay