Paarden mogen gerust brandnetels eten!

Een paar weken geleden meldden we over een paard dat allergisch reageerde op brandnetels. Dit kwam omdat het paard erin gerold had. Nu zou het de indruk kunnen geven dat éten van brandnetels ook gevaarlijk is. De Belgische dierenarts Hans Callewaert reageert hierop dat brandnetels een geneeskrachtige werking hebben en paarden gerust brandnetels mogen éten.

Zuiverend

De dierenarts vindt het jammer dat eigenaren nu bang gemaakt zijn en is van mening dat een paard gerust brandnetels kan eten als het dat wil. Ze hebben een zuiverende en ontzurende werking en er zitten veel vitaminen in, zoals vitamine C, B1, B2, B5, choline, foliumzuur, vitamine E en vitamine K1. Die heb je ook wel in allerlei poedervormen, maar daar moet je voor betalen.

Geneeskrachtig

Verder zitten in brandnetel de mineralen: (vooral) ijzer, silicium, calcium en kaliumzouten. Het is rijk aan bijvoorbeeld tannine, eiwitten, essentiële aminozuren en enzymen. Verder is het bloed- en lymfezuiverend, ontgiftend, ontzurend, wordt zonder verlies aan mineralen naar de bloedbaan gedreven en via de nieren uitgescheiden. Nierstenen kunnen worden voorkomen en het verwijdt de bloedvaten. Daarnaast is het ontstekingsremmend en pijnstillend. De immuniteit verbetert en allergische verschijnselen worden minder. Brandnetel is ook goed voor de spijsvertering, darmwerking en aanmaak van rode bloedlichaampjes.

Gedroogd of vers

Vinden paarden brandnetels eigenlijk wel lekker? Het lijkt er wel op want paarden eten brandnetels, ook al staat de wei vol met gras. In gedroogde vorm kun je ze uiteraard ook voeren. Wij krijgen er vaak behoorlijk last van als we met verse brandnetels in aanraking komen maar paarden eten bijvoorbeeld ook distels, ook al zijn die stekelig.

Kruiden

In zijn dierenartsenpraktijk Pro-DHM bestudeert Callewaert de algehele gezondheid van het paard. Hij probeert problemen zonder medicatie, maar met behulp van (natuurlijke) kruidenpreparaten op te lossen en die aanpak heeft veel succes.

Bron: Mensport

Foto: Marij Rongen

Foto’s in tekst: Hans Callewaert