Springen: met een beetje lef naar veel lol!

Welke onderdeel iemand kiest die start met paardrijden wordt meestal bepaald door zijn omgeving. Als een of beide ouders enthousiast zijn in een tak van paardensport gaan hun kinderen vaak dezelfde kant op. Dressuur is vaak het meest aan de orde op maneges, maar wat valt er te zeggen over springen?

Als kinderen geen ouder(s) hebben die actief zijn in de paardensport, zie je dat hun keuze beïnvloed wordt door anderen, bijvoorbeeld een kennis die paarden heeft. Als kinderen meegaan met vriendjes of vriendinnetjes naar een manege is het weer afhankelijk van wat er daar het meest gedaan wordt.

Lef en lol

Kiezen voor de springsport is dat er lol aan moet worden beleefd. Spelenderwijs bereik je dat het snelst. Dit geldt vooral voor jonge kinderen. Zonder plezier houdt het meestal snel op. Simpele parcoursjes (of dat wel of niet op de goede manier gebeurt) zijn nog niet echt aan de orde. Met plezier komt het goed rijden vanzelf. De begeleiding is hierbij uiteraard heel belangrijk voor het zelfvertrouwen, er zijn tenslotte ook risico’s. Angst is vaak een reden dat springen plaats gaat maken voor bijvoorbeeld dressuur.

Niet bang aangelegd

Je moet wel een beetje een durfal zijn om te springen. Die durf moet je opbouwen. Behalve de goede begeleiding is het paard of de pony waarop je leert springen minstens zo belangrijk. Jonge paarden of pony’s, die sneller kunnen gaan lopen dan de ruiter durft, schieten plotseling nog wel eens langs een hindernis en zijn dus meestal niet zo geschikt voor beginners. Hierdoor kunnen ruiters weer onzeker worden.

Happy ruiter

Niet vlug tevreden zijn en een sterke wil hebben, is mooi meegenomen. De wil om te winnen is vaak een voorwaarde voor succes, maar het moet niet te ver gaan en leer ook met het resultaat omgaan. Tevreden terugkijken en nadenken over wat er nog verbeterd kan worden, maakt je in de toekomst een betere én happy ruiter. Met dit voor ogen wordt het springen zeker heel tof!

Starten

De jeugd enthousiast maken en er vroeg mee laten starten, maakt de kans groter dat ze doorgaan in de paardensport. Jong beginnen met springen betekent wel dat de ruiter al zelfverzekerd is, in draf kan lichtrijden zonder pony/paard te hinderen en ook in galop de bewegingen kan volgen. Draven over balkjes die op de grond liggen met hindernisje daarna is een optie. Daarna kan daarachter een volgend hindernisje worden geplaatst. Afwisseling zorgt voor uitdaging. Spelenderwijs kan een parcoursje worden geprobeerd. Vanaf dit moment krijg je al een idee of springen de goede keuze is. Gaat de ruiter snel en naar (eigen) verwachting vooruit, wordt vaak gekozen om met springen verder te gaan.

De gemiddelde manege geeft al snel de volgende conclusie: jongens zijn in de minderheid, behalve als het een springwedstrijd betreft. Vreemd? Ze zijn vaak meer op de overwinning uit en hebben wat meer lef. Meiden vinden winnen vaak iets minder belangrijk en zijn ook voorzichtiger van aard. De klik met hun pony of paard (tijdens een wedstrijd) vinden zij minstens zo belangrijk. Wellicht dat je hierdoor ook minder vrouwelijke springruiters ziet, maar het is natuurlijk wel stoer als je het als meisje aandurft om voor springen te kiezen!

Leren van elkaar

Springlessen worden op veel maneges op manegepony’s of -paarden gegeven. Begeleiding moet goed zijn, opbouwen van vertrouwen blijft belangrijk, maar aan techniek worden er weldra hogere eisen gesteld. Groepslessen werken vaak stimulerend om een doel te bereiken en het is ook leuker en leerzaam om te kijken naar anderen hoe zij (kleine) problemen oplossen. Leren van de instructeur maar zeker niet in de laatste plaats: leren van elkaar!

Tekst: Manegeruiter/Hoefslag

Foto: iStock